PROZA

De Dronkere Dagen

“De nacht heeft reeds die niet waarneembare wenteling gemaakt waarin twee uur verandert in zes uur ’s morgens. Je weet dat dat moment al voorbij is, maar je hebt geen zin toe te geven dat je over de streep bent gegaan.”

Bright Lights Big City

Door: Willem Hopmans Eijkman

Het enige dat je nodig hebt is een sigaret en een plek om te slapen. Het is een vreemde stad en de klinkers glanzen in het smeltwater. Om vijf uur begon de borrel met een glaasje bruis. Je zei ja waar je nee had moeten zeggen. Het enige woord dat je had kunnen helpen was nee geweest. Eventueel had je tijd kunnen kopen en kunnen zeggen ‘misschien zometeen’ om weg te gaan en jezelf te kunnen behoeden, maar je was op oorlogspad en het laatste waar je zin in had was thuis te gaan zitten en uit te leggen waar je die nacht ervoor had uitgehangen.

 

Je kijkt de straat met kroegen in. De bek van het monster, een verleidelijke holte waar je in no-time uitgekauwd in een donkere kamer poeder van een tafel snuift. Je jas is nat en je benen stijf en koud. Iedereen met wie je de nacht begon is afgetaaid, afgeschud, verdwenen. Op de grond ligt een kinderschoentje. Nat, met de veter gestrikt. Je pakt het op en kijkt naar de zool. Maat 32. De ander ontbreekt en je houdt de schoen vast. Een grote kale man loopt langs, hij wordt van het terras gejaagd door twee mannen met zwarte bomberjacks.

Hij pakt een pakje sigaretten en hengelt er één uit. Zijn motoriek stagneert. Hij gooit het verfrommelde pakje weg en houdt het staafje tabak in zijn mond.

‘Godallejeeses. Hebben die apen mijn aansteker gejat ofzo?’

Hij draait zich naar je toe en kijkt door de brilglazen.

‘Héje, ouwe reus! Heppie misschien een fuurtje foor mij?’

‘Als ik van jou een peuk mag.’

‘Maar didis de laatste.’

‘Laat mij dan de eerste drie hijsen nemen, dat is al genoeg misschien.’

Onder de luifel van snackbar ‘Jopie’ neem je een hijs. Het kooltje gloeit. De tintelingen vertakken zich tot in de uiteinden van al je zenuwen. Je hebt nu je sigaret, maar niets te drinken meer. De man heeft een groot zwart montuur en is weliswaar kaal op zijn schedel, maar heeft een net bijgehouden baard.

‘Weet jij nog een plek waar we erin kunnen?’

Hij kijkt je aan. Zachte ogen, harde pupillen. ‘Heb je jezelf wel gezien?’

‘Nee. Nee. Is het zo erg? Het valt toch wel mee?’

‘Als je achter mij blijft staan en niets zegt, weet ik misschien nog wel iets.’

Je loopt de bek van de straat in. De straat slokt je op, zoals de drank je leven langzaam opslokt en verteert. Maar niet vannacht, vannacht houd je alles op afstand.

De kades van de gracht liggen niet op straatniveau. Je hoorde over een vriend die hier ’s nachts een fiets in het water gooide – jongens die dingen slopen, what’s new… Toen zijn maat niet lachte om de fiets die verdronk omdat het zijn fiets bleek te zijn die verdronk was je vriend erachteraan gesprongen en viste de verdronken fiets weer uit het water. Een andere vriend had de treden van de kadetrappen wel eens overgeslagen en was door een attente voorbijganger uit het water gevist. Zo’n avond was het nog niet. Je hebt gewoon nog even een warme plek nodig om een slaapplaats te regelen. Achter de man blijven staan en niets zeggen.

De kale baardman slaat de deur met een harde klap open en je loopt achter hem aan de stenen wenteltrap af. Richting een kelder, het ruikt naar kruipruimte. Natte grond.

‘Heren!’ Je botst tegen de rug aan. Hij stopt plots.

‘Waar denken wij precies heen te gaan?’

‘Hallo! Dag. Goeienavend.’

‘Goedemorgen.’

‘Ja. Goeiemorge, goeie. Ja. Kiek, wij komenog een klein laatse drankje doen. Hierris meziek nog.’

Je kan de man die je stopte niet zien, maar hoort ‘jij mag wel binnen, maar die jongen achter je komt er niet in.’

De baard draait zich naar je om, dan weer terug.

‘Sjaak! Jochie. Jeweettoch dattik op hem let.’

Hij geeft hem een hand, knijpt met de andere in zijn nek.

‘Goed. Jij let op hem. Geen gedonder. En hij krijgt geen drank meer.’

De zangeres heeft een snor. Je zit met je jas omhelst op schoot. Het glas bruisend water staat onaangeroerd op de bar. De baard slaat tegen de sigarettenautomaat en in de zaal kleven groepjes mensen in glinsterende kleding aan elkaar.

In de hoek zit een meisje alleen. Haar hoofd tussen haar benen en haar haren als bloemen zonder water in een vaas. Ze beweegt niet. Naast haar staat een glas met bier. Halfvol. Halfleeg. Het schuim ingezakt als het meisje. Je loopt naar de hoek met je spawater, tikt het meisje op de schouder. Geen reactie. Je pakt het vaasje en zet je water er voor in de plaats. Je slaat het bier achterover en het glijdt in een keer je slokdarm in. Je voelt je maag en tegelijkertijd een hand op je schouder. Dan klemt een hand je bovenarm. Hij trekt je naar achter.

Je loopt de bek van de straat in. De straat slokt je op, zoals de drank je leven langzaam opslokt en verteert.

De klinkers zijn koud en zandkorrels schuren in je handpalm. Je duim bloedt, maar je voelt niets. Wel lijkt het alsof je neus anders gericht is, een windvaan die een kwartslag gedraaid is. Je pakt je neus en wrijft over de huid. Bloed loopt in je handpalm. Zacht probeer je te snuiten en een klodder bloedstolsel schiet op je trui. Het doet geen pijn en als je weer kijkt is de windvaan toch weer naar voren gericht. Je zoekt de binnenzak van je jas, maar je hebt helemaal geen jas aan. Alleen een trui met bloed-, zand- en wat watervlekken.

‘Nee,’ roept de man in je gezicht. Hij spettert. ‘Kom morgen maar terug. Als je je weer kunt gedragen.’

‘Maar…’ De deur is al dicht. ‘Mijn jas ligt nog binnen. Godverdomme!’

De deuren blijven dicht en de mensen blijven eeuwig binnen, ofzo. Je wilt een peuk en een plek om te slapen, maar je hebt geen vuur, geen geld, geen sleutels en geen batterij.

De nacht heeft allang die wenteling gemaakt waarin twee uur verandert in zes uur ’s morgens, zoals je leven al die niet waarneembare wenteling heeft gemaakt waarin twee dagen dronken per week in zes ochtenden niet hersteld kan worden.

Categorieën: column