STEDEN BOUWEN 

Een brief aan jou

Door: Fenna van Dijk

Liefste schaduw,

Je bent hier al te lang geweest. We bevinden ons in een strijd. Ik tegen jou. Tegen het ontastbare. Een ondoorgrondelijke, aanwezige schaduw. Jouw vorm in constante verandering. Je eist een tol van mijn lichaam en geest, niet in woorden uit te drukken. Ik vecht tegen het duistere deel, tegen jou, en heb daarbij het idee dat mijn soldaten mij van tijd tot tijd laten varen.

Zelfhaat is makkelijker dan zelfliefde. Al wat is tot niets laten vormen. Jij bent er ster in. Roepend dat niets goed (genoeg) is, dat het perfect moet. Je staat af van de werkelijkheid. Perfectie bestaat niet. Zodanig blijf ik streven naar hetgeen ik niet bereiken kan.

Je dwingt je zelfgemaakte schimmenrijk op aan anderen. Aan mij.

Somtijds lijkt alles duister. In het levensspel is dat de kern. Want het is niet aan de ander – niet aan jouw medemens – om jou het licht te laten zien. En het is niet aan jou om het te bestempelen. Om te zeggen dat het er niet toe doet. Laten we namelijk wel wezen: al is dat einde onomkeerbaar en onontkoombaar, betekent dat niet dat we al het moois er tussenin weg behoren te gooien. We moeten het vastgrijpen met beide handen. Het dicht op de huid leggen en koesteren. Zelfs het lijden is de liefde in een andere jas. Het leven zou louter grijze massa zijn indien de donkerte ontbreekt. Het is de balans tussen goed en slecht die ervoor zorgt dat we kunnen leren en groeien in ons bestaan.

In mijn verwoording kan ik het probleem al duiden. Ik spreek over een strijd tegen jou; één waarin ik weerloos achterblijf. Tegenwoordig poog ik het gevecht om te vormen tot een relatie. Een relatie tot en mét mezelf. Zodra ik mijn woorden van ongenoegen jegens mijzelf verander naar woorden van waardering, begint het verschil tastbaar te worden. Ik heb het niet over ‘Ik ben het waard!’-stickers op mijn spiegel plakken en wanhopig schreeuwen over mijn pracht zonder het te voelen. Ik doel op het spreken tegen mezelf, tegen die facetten die ik als schaduw duid, zoals ik tegen vrienden zou spreken.

Ik zou mijn vrienden niet vijfduizend keer in één minuut melden ‘Je bent PRACHTIG!’ wetende dat dit geen verschil gaat brengen zolang zij dit zelf niet voelen (oké, doe ik niet altijd is een betere verwoording, soms is het ff nodig je admiratie in woorden te brengen tegenover je vrienden). Noch zou ik zeggen ‘Ha, duh, je bént ook een fucking idioot! Zie je wel. Sukkel. Je kunt ook niks!’ bij al wat misgaat. Ik zou steun bieden, in welke vorm nodig is op dat moment.

Uit de as het nieuwe laten herrijzen: daar ligt de uitdaging. Het is de kunst te blijven staan. Om oog in oog te staan met het lijden en daarna niet de hoop voorbij te gaan. Uiteindelijk draait het leven om de ongerijmde zaken; het web van kenbaar toevallige nutteloze bezigheden. Het nut ligt in mijn handen. De zin als draad te spinnen in mijn wiel. Er is niemand die de taak weg kan nemen.

De grootste vraag te stellen op momenten van duisternis is naar waar de behoeften liggen op dat moment. Af en toe volstaat een knuffel. Op andere momenten heeft de afstand het overwicht. Ik leer te vragen naar waar jij, mijn schaduw, vandaan komt, waarom je niet verdwijnen wil en hoe we verder kunnen komen. Ik ontken je bestaan niet. Als je doet alsof je plant niet bestaat, betekent dit niet dat die niet gaat rotten en verwelken. Vraag maar aan mijn overleden cactus (sorry). Het betekent enkel dat je je ogen sluit voor de realiteit. Ik wil niet dat facetten van mij gaan rotten en verwelken. Vandaar dat ik je wil zeggen: je bent welkom. Het is oké als je tranen laat stromen. Het is oké om louter te zijn en even niets te willen.

Het leven zou louter grijze massa zijn indien de donkerte ontbreekt.

Jarenlang heb ik facetten van mezelf gedoopt tot schaduw en heb ik niets gedaan behalve er tegen gestreden. Echter kan ik nu eerlijk zeggen dat jij geen schaduw bent. Je bent mijn kwetsbaarheid. De gevoelens van eenzaamheid, onkunde en angst die ten grondslag liggen aan een alomvattend gevoel. Het is tijd daar aandacht aan te besteden.

Ik wil schrijfstukken altijd positief eindigen. Iets met een streven naar perfectie en controle. Deze brief zit ik hierdoor al een tijd uit te stellen, denkend dat ik er de juiste draai aan kan geven indien ik lang genoeg wacht. Dat het antwoord wel op zal doemen. Zo werkt het echter niet. Er is niemand die de woorden aan mij door kan geven. Dus hier is het dan. In al zijn onafgemaakte imperfectie, doch voldoende voor mij.

Ik wil nog zeggen tegen jou, mijn tot schaduw gedoopte deel, dat het oké is dat je er bent. Ik zal je steunen als je komt. Liefde bieden waar nodig. Alleen mag je wel eens de deur uit. Schaduw spelen voor een parkbankje in plaats van in mijn hoofd te spoken. En als het gevoel blijft dan zal ik de wijze woorden herhalen die mijn oma sprak op moeilijke momenten:

‘Dè’s mooi klôte.’

 

Categorieën: column