LIEFDESKUNST

Geef mij nu je hand 

Na een twaalf uur durende vlucht kom ik duf en een beetje gammel aan op het vliegveld van Quito, Ecuador. Ik val in de armen van een goede vriend van mij die ik daar opzoek. Terwijl we naar de auto lopen vertelt hij me dat we even bij zijn huis stoppen om mijn spullen te dumpen om vervolgens samen met zijn beste vriend naar een huisfeest te gaan. Eenmaal bij zijn huis aangekomen fris ik me dus maar snel op. De bel gaat en daar staat hij: I., de enorm knappe beste vriend van mijn vriend. Mijn hart begint sneller te kloppen en ik krijg spontaan energie om naar het huisfeest te gaan.

Door: Daniëlle Drenth

Op het huisfeest wisselen I. en ik veel persoonlijke verhalen uit. Hij blijkt een romanticus te zijn net als ik, maar toch gebeurt er niks. Als we weer terug bij het huis van mijn vriend aankomen en ik uit de auto stap, zwaaien we alleen maar naar elkaar. Het voelt vreemd en wanneer ik bij de deur sta blaas ik hem daarom nog maar een handkus toe. Iets waar ik direct spijt van heb als ik geen reactie terugkrijg.

De week gaat voorbij en we spenderen veel tijd samen, maar zijn nooit alleen met z’n tweeën. Als ik een keer het balletje opgooi en vraag of hij me wellicht vanuit zijn perspectief als architect een rondleiding door Quito wilt geven reageert hij enthousiast, maar hij komt er nooit op terug. Wanneer hij me ook nog vertelt over een meisje die hij in zijn woorden aan het ‘pre-daten’ is, is het helemaal duidelijk: ik ben gefriendzoned. Hoewel ik het jammer vind, heb ik er vrede mee, want ik had er vanaf moment één al rekening mee gehouden dat zo’n knappe jongen waarschijnlijk helemaal niet geïnteresseerd zou zijn in mij.

Het laatste weekend van mijn verblijf in Ecuador gaan mijn vriend, een vriend van hem, I. en ik naar het strand. We komen laat aan in ons appartement en gaan daarom vrijwel direct door naar de danstenten. Mijn vriend en zijn vriend willen op een gegeven moment weg, maar ik heb super veel energie en vind de plek fascinerend: ik wil nog helemaal niet terug. Dan biedt I. aan om met mij te blijven. Ik zeg tegen hem dat hij dat echt niet hoeft te doen als hij dat niet wilt. Hij kijkt me verbaasd aan en verheft zijn stem een beetje: ‘Maar ik wil graag met jou hier blijven!’ Ik word even stil en zeg vervolgens: ‘Drankje dan maar?’

Uiteraard kan hij enorm goed dansen. Een gevoel van onzekerheid komt in me naar boven en dus neem ik nog een cocktail om me hier overheen te zetten. Even later geef ik hem een compliment over zijn dansmoves en verbaasd merk ik op dat hij me complimenten terug geeft. Na uren dansen, een paar drankjes en wat complimenten, maar verder geen actie heb ik er genoeg van: op het midden van de dansvloer zoen ik hem. En ja, hij zoent terug. Langzaam en vol passie en we stoppen niet. We lopen samen naar het appartement en hij gaat mee mijn kamer in. We vrijen en hoewel ik aangeef dat hij best in zijn eigen bed mag slapen als hij dat liever wilt, geeft hij aan bij me te willen blijven. Dat hele weekend zijn we onafscheidelijk. Letterlijk, want overal waar we zijn, lopen we hand in hand.Op de terugweg in de auto naar Quito kijk ik in gedachten verzonken uit het raam. Als we plotseling moeten remmen, grijpt I. in een reflex mijn hand vast. Ik kijk hem verbaasd aan en hij bloost. ‘Dit lijkt wel een soort Freudiaanse reflex’, zeg ik lachend tegen hem. Hij wordt nog roder, lacht ongemakkelijk en beaamt het. Wanneer we elkaar voor de laatste keer zien zegt hij tegen me: ‘I truly hope we can see each other again, hopefully sooner rather than later. Meanwhile we’ll have to do our best through the phone.’ Ik wil hem geloven, maar ben al te vaak teleurgesteld. En dus vraag ik hem een week later over de telefoon naar zijn praktische plannen om me op te komen zoeken. Zijn toon is veranderd, angstig, onzeker over de toekomst. Met het loslaten van mijn hand heeft hij ook ons losgelaten.

Categorieën: column